| |
Lied 101 |
| Vers 1: | In het begin lag de aarde verloren, in het begin in de duisternis; God sprak zijn woord en het licht werd geboren, 't licht dat vandaag onze dag nog is.
|
| Vers 2: | In het begin zijn de wolken en luchten, in het begin is de hemel ontstaan. God sprak zijn woord en de wateren vluchtten: zo bracht Hij scheiding en ruimte aan.
|
| Vers 3: | In het begin is de aarde geboren, in het begin uit de diepte der zee. In het begin kwam het gras en de bomen, bloeiden de bloemen en graasde het vee.
|
| Vers 4: | In het begin zijn de sterren gaan branden, in het begin kwam de zon en de maan. Boven het land en de zee en de stranden wijzen zij wegen en tijden aan.
|
| Vers 5: | In het begin kwamen vogels gevlogen, in het begin werd hun lied al gehoord. Vissen in 't water, wat leeft op het droge: God schiep de dieren, elk naar hun soort.
|
| Vers 6: | In het begin riep God mensen tot leven, in het begin was het woord in hun mond. Wat was het goed om op aarde te leven, wat was God blij dat de wereld bestond.
|
| |

|
Lied 102 |
| Vers 1: | De aarde lag verloren in leegte en donkerheid. Toen is het licht geboren, licht van de eeuwigheid. Het duister werd doorbroken, de dag kwam en de nacht. God heeft zijn woord gesproken en alles voortgebracht.
|
| Vers 2: | De wolken en de luchten, de aarde en de zee, de bomen en de vruchten, de bloemen en het vee. De lichten aan de hemel, de vogels in het gras, het water vol gewemel; God zag hoe goed het was.
|
| Vers 3: | Toen kwam de mens tot leven, een mens aan God gelijk. De macht werd hem gegeven over het dierenrijk. De taal werd hem tot teken, de aarde werd zijn land, aan niets zou 't hem ontbreken, want God was op zijn hand.
|
| |

|