| | Lied 313 | | Vers 1: | Voorbij gaan wij aan het geluk want wij zijn alle dagen druk. Wij luisteren niet blij verrast, al zijn wij in Uw huis te gast. Een ding is nodig, de rest is overbodig, een ding is nodig, de rest is overbodig.
| | Vers 2: | Maria koos het goede deel maar wij, wij haasten ons te veel. Zij kwam op adem door Uw woord. Maar Martha heeft het niet gehoord. Een ding is nodig, de rest is overbodig, een ding is nodig, de rest is overbodig.
| | Vers 3: | Zij had voor U geen open oor, daar was zij veel te bezig voor. Achter haar zorgen liep zij aan en had geen tijd om stil te staan. Een ding is nodig, de rest is overbodig, een ding is nodig, de rest is overbodig.
| | Vers 4: | Wij komen niet op ons verhaal wanneer wij doof zijn voor Uw taal. al zijn wij alle dagen druk; Uw woord alleen brengt ons geluk.
| | |

| Lied 314 | | Vers 1: | Er was er eens een rijke man, ja luister maar eens goed, die had veel koren op zijn land, koren in overvloed.
| | Vers 2: | En toen de tijd van oogsten kwam, toen wist hij zich geen raad zijn schuren waren veel te klein. de oogst lag op de straat
| | Vers 3: | Ik breek mijn schuren af en bouw de nieuwe dubbelgroot, daarin berg ik mijn koren op; voor jaren heb ik brood.
| | Vers 4: | Maar God sprak: Man, je ben een dwaas, al heb je veel vergaard, vannacht eis Ik je leven op, jouw rijkdom is niets waard.
| | Vers 5: | Al zijn je schuren boordevol, je hart is leeg, helaas. Want God is niet bij jou in tel, je ben een rijke dwaas.
| | |

|
|