| | Lied 314 | | Vers 1: | Er was er eens een rijke man, ja luister maar eens goed, die had veel koren op zijn land, koren in overvloed.
| | Vers 2: | En toen de tijd van oogsten kwam, toen wist hij zich geen raad zijn schuren waren veel te klein. de oogst lag op de straat
| | Vers 3: | Ik breek mijn schuren af en bouw de nieuwe dubbelgroot, daarin berg ik mijn koren op; voor jaren heb ik brood.
| | Vers 4: | Maar God sprak: Man, je ben een dwaas, al heb je veel vergaard, vannacht eis Ik je leven op, jouw rijkdom is niets waard.
| | Vers 5: | Al zijn je schuren boordevol, je hart is leeg, helaas. Want God is niet bij jou in tel, je ben een rijke dwaas.
| | |

| Lied 315 | | Vers 1: | De bomen in de vijgenhof, zij worden groot en groen maar een boom geeft geen vruchten meer; wat moet de Landman doen? Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar.
| | Vers 2: | De heer en meester van de hof roept uit: Dit heeft geen zin! die boom is drie jaar vruchtenloos zet er de bijl in. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar.
| | Vers 3: | De Landman smeekt om meer geduld: Laat hem nog een jaar staan! Wie weet, komen er volgend jaar wel nieuwe vruchten aan. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar.
| | |

|
|