| |
Lied 315 |
| Vers 1: | De bomen in de vijgenhof, zij worden groot en groen maar een boom geeft geen vruchten meer; wat moet de Landman doen? Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar.
|
| Vers 2: | De heer en meester van de hof roept uit: Dit heeft geen zin! die boom is drie jaar vruchtenloos zet er de bijl in. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar.
|
| Vers 3: | De Landman smeekt om meer geduld: Laat hem nog een jaar staan! Wie weet, komen er volgend jaar wel nieuwe vruchten aan. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar. Nergens vruchten, niet hier en niet daar! De Landman blijft hopen op volgend jaar.
|
| |

|
Lied 316 |
| Vers 1: | De laatsten zullen de eerste zijn in het Koninkrijk van God. De onderdrukten worden vrij, god zet hen op de eerste rij, geringen gaan voorop. Geringen gaan voorop.
|
| Vers 2: | En wie zichzelf verhoogt, die wordt het allerlaatst gezien. Maar wie zich houdt aan Zijn gebod die zal de grootste zijn voor God die telt, die telt voor tien.
|
| Vers 3: | De eersten komen het allerlaatst, God keert de rollen om. Want Hij meet met een andere maat en zet ons op de goede plaats wanneer Hij weder komt.
|
| |

|