| | Lied 317 | | Vers 1: | Lazarus ligt op de stoep, niemand luistert als hij roept, niemand geeft hem iets te eten, uitgehongerd en vergeten wacht hij op wat kruimels brood; en hij sterft in de hongerdood
| | Vers 2: | Binnnen is de rijke man en hij neemt het er goed van. Er is brood voor nu en morgen, vrolijk feest hij zonder zorgen; tot de dood een einde maakt aan geluk en leef maar raak.
| | Vers 3: | Lazarus wordt in die nacht door Gods engelen thuisgebracht. Maar de rijkaard met zijn weelde die het daaglijks brood niet deelde, vind geen plaats bij God, hij is buiten in de duisternis.
| | |

| Lied 318 | | Vers 1: | De vossen hebben holen, de vogel heeft een nest. Maar zij leven verscholen, verstoten door de rest. En nergens is voor hen een plaats, want alle tien zijn ze melaats. Maar Jezus komt voorbij: O Heer heb medelij.
| | Vers 2: | Als Jezus hen hoort smeken, dan komt Hij dichterbij. Hij heeft hen niet ontweken, maar toont zijn medelij: Ga naar de stad, ga alle tien en laat je aan de priester zien. Geloof wat Ik je zeg dan gaat je ziekte weg.
| | Vers 3: | Tien mensen zijn genezen, een keert er zingend weer. Waar zijn de andere negen, vergeten zij de Heer? Wie weg is wordt niet meer gezien, behalve een, een van de tien. Het was een vreemdeling van wie Hij dank ontving.
| | |

|
|