| |
Lied 318 |
| Vers 1: | De vossen hebben holen, de vogel heeft een nest. Maar zij leven verscholen, verstoten door de rest. En nergens is voor hen een plaats, want alle tien zijn ze melaats. Maar Jezus komt voorbij: O Heer heb medelij.
|
| Vers 2: | Als Jezus hen hoort smeken, dan komt Hij dichterbij. Hij heeft hen niet ontweken, maar toont zijn medelij: Ga naar de stad, ga alle tien en laat je aan de priester zien. Geloof wat Ik je zeg dan gaat je ziekte weg.
|
| Vers 3: | Tien mensen zijn genezen, een keert er zingend weer. Waar zijn de andere negen, vergeten zij de Heer? Wie weg is wordt niet meer gezien, behalve een, een van de tien. Het was een vreemdeling van wie Hij dank ontving.
|
| |

|
Lied 319 |
| Vers 1: | Als je geen liefde hebt voor elkaar, vallen de dromen in duigen. Dromen van vrede worden niet waar, kwaad is niet om te buigen. Als je geen liefde hebt voor elkaar leef je buiten Gods gloria. Gloria.
|
| Vers 2: | Als je geen antwoord geeft op verdriet, zullen de tranen niet drogen. Als je het leed in de wereld niet ziet, worden Gods woorden verbogen. Als je geen liefde hebt voor elkaar leef je buiten Gods gloria. Gloria.
|
| Vers 3: | Als je geen oog hebt voor gemis, als je geen brood weet te delen, denk dan aan Jezus die brood en die vis uit liefde deelde met velen. Als je geen liefde hebt voor elkaar leef je buiten Gods gloria. Gloria.
|
| Vers 4: | Als je geen liefde hebt voor elkaar, is er geen hoop meer op zegen. Kinderen, maak de liefde toch waar; schrijf het op alle wegen: Als je geen liefde hebt voor elkaar leef je buiten Gods gloria. Gloria.
|
| |

|