| | Lied 320 | | Vers 1: | Vertel aan wie het horen wil het Rijk van Vrede komt! Het is nabij, zwijg niet meer stil, bazuin, bazuin het rond. Het eerste woord zal vrede zijn waar jij ook binnen gaat. Sjalom voor jou, Sjalom voor mij: Maak van het woord een daad!
| | Vers 2: | En als jouw groet geen goed ontmoet je woord geen weerklank vindt, schud dan het stof af van je voet, 't waait wel op de wind. Het eerste woord zal vrede zijn waar jij ook binnen gaat. Sjalom voor jou, Sjalom voor mij: Maak van het woord een daad!
| | Vers 3: | Wanneer je gaat in vredesnaam op weg door stad en land, dan mag je blij zijn, want jouw naam, staat woordelijk in Gods hand. Het eerste woord zal vrede zijn waar jij ook binnen gaat. Sjalom voor jou, Sjalom voor mij: Maak van het woord een daad!
| | |

| Lied 321 | | Vers 1: | Ik ben een ezel die wat staat te dromen, een lastdier, zoals alle ezels zijn. Aan zware vrachten kan ik niet ontkomen, ik draag ze in de felle zonneschijn.
| | Vers 2: | Ik word gedreven over smalle paden, een zweepslag, zegt mij links of rechts te gaan. Mijn kleine lijf is altijd overladen en in mijn huid staan striemen van 't slaan.
| | Vers 3: | Ik ben de minste onder alle dieren, ik ben een ezel, ik tel niet zo mee. Behalve een keer toen men feest ging vieren, toen liep ik vooraan in de optocht mee.
| | Vers 4: | Ik droeg een Koning op mijn grauwe haren, een Koning zonder scepter, zonder kroon. Ik zie de palmen nog na al die jaren en nu nog hoor ik: Leve Davids zoon.
| | Vers 5: | Ik ben een ezel die wat staat te dromen, mijn oren houden stil de wacht. Mischien zal Hij vandaag of morgen toch weer komen en ik ben de eerste die Hem dan zal zien.
| | |

|
|