| |
Lied 321 |
| Vers 1: | Ik ben een ezel die wat staat te dromen, een lastdier, zoals alle ezels zijn. Aan zware vrachten kan ik niet ontkomen, ik draag ze in de felle zonneschijn.
|
| Vers 2: | Ik word gedreven over smalle paden, een zweepslag, zegt mij links of rechts te gaan. Mijn kleine lijf is altijd overladen en in mijn huid staan striemen van 't slaan.
|
| Vers 3: | Ik ben de minste onder alle dieren, ik ben een ezel, ik tel niet zo mee. Behalve een keer toen men feest ging vieren, toen liep ik vooraan in de optocht mee.
|
| Vers 4: | Ik droeg een Koning op mijn grauwe haren, een Koning zonder scepter, zonder kroon. Ik zie de palmen nog na al die jaren en nu nog hoor ik: Leve Davids zoon.
|
| Vers 5: | Ik ben een ezel die wat staat te dromen, mijn oren houden stil de wacht. Mischien zal Hij vandaag of morgen toch weer komen en ik ben de eerste die Hem dan zal zien.
|
| |

|
Lied 322 |
| Vers 1: | Judas heeft het niet begrepen ook al volgde hij de Heer, hij bleef halverwege steken en zijn leven nam een keer. Waarom, waarom kon je niet geloven in het messiaanse rijk? Waarom, waarom kon je niet geloven, raakte jij de liefde kwijt?
|
| Vers 2: | Judas droomde van een koning die met macht en met geweld in de hoofdstad aan zou komen, maar hij wordt teleurgesteld. Waarom, waarom kon je niet geloven in het messiaanse rijk? Waarom, waarom kon je niet geloven raakte jij de liefde kwijt?
|
| Vers 3: | Judas ziet geen overwinning Jezus zit niet hoog te paard, maar rijdt op een ezel binnen zonder leger, zonder zwaard. Waarom, waarom kon je niet geloven in het messiaanse rijk? waarom, waarom kon je niet geloven raakte jij de liefde kwijt?
|
| Vers 4: | Judas heeft de Heer verraden, want hij ziet geen toekomst meer in de woorden en de daden en het leven van de Heer. Waarom, waarom kon je niet geloven in het messiaanse rijk? Waarom, waarom kon je niet geloven raakte jij de liefde kwijt?
|
| |

|