| |
Lied 324 |
| Vers 1: | Twee mannen zijn op weg gegaan naar Emmaus hier ver vandaan. Het leed is niet te dragen, hun hart is vol met vragen. Vervolgen is hun laatste hoop nu Jezus is gedood.
|
| Vers 2: | Een vreemde komt hen tegemoet hun trage harten vatten moed, want hij doet uit de doeken de woorden uit de boeken: Dat Jezus deze weg moest gaan, wordt nu door hen verstaan.
|
| Vers 3: | Blijf bij ons, en wees onze gast? Blijf bij ons, zeggen zij verrast. De vreemde laat zich node. Bij 't breken van de broden is 't of hun ogen opengaan: De Heer is opgestaan!
|
| |

|
Lied 325 |
| Vers 1: | Thomas heeft Jezus niet gezien, hij was die avond weg. En ongelovig roept hij uit: Ik geloof niet wat je zegt, ik geloof niet wat je zegt.
|
| Vers 2: | Wanneer mijn ogen zelf niet zien de tekenen van het slaan, geloof ik niet dat Jezus leeft, dat Hij is opgestaan! dat Hij is opgestaan!
|
| Vers 3: | Maar Jezus komt en laat hem zien Zijn handen en Zijn zij, en Thomas stamelt: Heer, de twijfel is voorbij. de twijfel is voorbij.
|
| Vers 4: | Nu jij Mij ziet, geloof je wel dat Ik ben opgestaan. Maar zalig zij, die zonder zien geloven in Mijn naam. geloven in Mijn naam.
|
| |

|