| | Lied 325 | | Vers 1: | Thomas heeft Jezus niet gezien, hij was die avond weg. En ongelovig roept hij uit: Ik geloof niet wat je zegt, ik geloof niet wat je zegt.
| | Vers 2: | Wanneer mijn ogen zelf niet zien de tekenen van het slaan, geloof ik niet dat Jezus leeft, dat Hij is opgestaan! dat Hij is opgestaan!
| | Vers 3: | Maar Jezus komt en laat hem zien Zijn handen en Zijn zij, en Thomas stamelt: Heer, de twijfel is voorbij. de twijfel is voorbij.
| | Vers 4: | Nu jij Mij ziet, geloof je wel dat Ik ben opgestaan. Maar zalig zij, die zonder zien geloven in Mijn naam. geloven in Mijn naam.
| | |

| Lied 326 | | Vers 1: | Er is een woord, waarvan ik zing, het hangt als een herinnering, als een belofte in de straat: dat Hij ons niet voorgoed verlaat.
| | Vers 2: | Hij geeft aan ons Zijn liefde mee. Het is een baken in de zee, een schuilhut tegen felle kou, een onderdak voor mij en jou.
| | Vers 3: | Zijn vrede spant zich als een boog, als een vertroosting van omhoog over de mensenkinderen heen. Zo laat de Heer ons niet alleen.
| | |

|
|