| | Lied 326 | | Vers 1: | Er is een woord, waarvan ik zing, het hangt als een herinnering, als een belofte in de straat: dat Hij ons niet voorgoed verlaat.
| | Vers 2: | Hij geeft aan ons Zijn liefde mee. Het is een baken in de zee, een schuilhut tegen felle kou, een onderdak voor mij en jou.
| | Vers 3: | Zijn vrede spant zich als een boog, als een vertroosting van omhoog over de mensenkinderen heen. Zo laat de Heer ons niet alleen.
| | |

| Lied 327 | | Vers 1: | De Heer is opgetogen. Hij steeg boven ons uit. Wij staan met onze ogen voor een beslagen ruit. Daarom heeft Hij geschreven: Ik laat je niet alleen. Een glimlach van Zijn vrede valt door die woorden heen.
| | Vers 2: | De Heer is in de wolken, onttrokken aan ons oog. Maar Hij heeft alle volken Zijn Koninkrijk beloofd. Al blijft Hij nu verborgen in teken en in taal, straks, op de nieuwe morgen, zien wij Hem allemaal.
| | |

|
|