| | Lied 327 | | Vers 1: | De Heer is opgetogen. Hij steeg boven ons uit. Wij staan met onze ogen voor een beslagen ruit. Daarom heeft Hij geschreven: Ik laat je niet alleen. Een glimlach van Zijn vrede valt door die woorden heen.
| | Vers 2: | De Heer is in de wolken, onttrokken aan ons oog. Maar Hij heeft alle volken Zijn Koninkrijk beloofd. Al blijft Hij nu verborgen in teken en in taal, straks, op de nieuwe morgen, zien wij Hem allemaal.
| | |

| Lied 328 | | Vers 1: | Wanneer U komt, o lieve Heer, al is het middernacht, het lichtje van verlangen brandt, U komt niet onverwacht.
| | Vers 2: | Wij gaan U haastig tegemoet, de deur staat op een kier. Wij brengen U de vredegroet en zingen van plezier.
| | Vers 3: | Wij zingen van Uw Koninkrijk, wij zingen als een kind. De koning zijn wij dan te rijk, omdat het feest begint.
| | Vers 4: | Het lichtje van verlangen brandt, een droom die niet verteert. Het lichtje van verlangen brandt, totdat U wederkeert.
| | |

|
|