| | Lied 328 | | Vers 1: | Wanneer U komt, o lieve Heer, al is het middernacht, het lichtje van verlangen brandt, U komt niet onverwacht.
| | Vers 2: | Wij gaan U haastig tegemoet, de deur staat op een kier. Wij brengen U de vredegroet en zingen van plezier.
| | Vers 3: | Wij zingen van Uw Koninkrijk, wij zingen als een kind. De koning zijn wij dan te rijk, omdat het feest begint.
| | Vers 4: | Het lichtje van verlangen brandt, een droom die niet verteert. Het lichtje van verlangen brandt, totdat U wederkeert.
| | |

| Lied 329 | | Vers 1: | Jouw leven staat aan het begin, het heeft nog geen herinnering, het is zo weerloos en zo klein, je weet nog niet hoe het zal zijn. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 2: | Jij weet nog niet wat leven is, wat liefde is en wat gemis. Jij weet nog niet van nee en ja van ondergang en gloria. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 3: | Je huilt nog van verwondering, maar jij hoort hier, in onze kring. Het water wacht, die diepe zee geeft jou een taal, een teken mee. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 4: | Dat teken is een heilgeheim: God wil met jou verbonden zijn. Hij is nabij waar jij ook bent, omdat Hij je bij name kent. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 5: | Zo komt jouw leven aan het licht Zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht. Gods adem heeft je aangeraakt en jou tot bondgenoot gemaakt! O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | |

|
|