| | Lied 329 | | Vers 1: | Jouw leven staat aan het begin, het heeft nog geen herinnering, het is zo weerloos en zo klein, je weet nog niet hoe het zal zijn. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 2: | Jij weet nog niet wat leven is, wat liefde is en wat gemis. Jij weet nog niet van nee en ja van ondergang en gloria. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 3: | Je huilt nog van verwondering, maar jij hoort hier, in onze kring. Het water wacht, die diepe zee geeft jou een taal, een teken mee. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 4: | Dat teken is een heilgeheim: God wil met jou verbonden zijn. Hij is nabij waar jij ook bent, omdat Hij je bij name kent. O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | Vers 5: | Zo komt jouw leven aan het licht Zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht. Gods adem heeft je aangeraakt en jou tot bondgenoot gemaakt! O Heer bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam.
| | |

| Lied 330 | | Vers 1: | Waar zou de stad van vrede zijn, kun je er komen al ben je klein? Is het ver weg over land, over zee is het er ja of is het er nee?
| | Vers 2: | Hoe komen wij op het goede spoor, is het linksaf, of is het rechtdoor? Is het niet hier en is het niet daar, is het er nee, of is het er ja?
| | Vers 3: | Zijn alle dromen dan toch bedrog, hebben wij hier tevergeefs gezocht? Is het een sprookje en is het niet waar, is het er nee, of is het er ja?
| | Vers 4: | Wij willen weten, wij willen zien wij willen weten, wij tellen tot tien. Geef ons een teken van vrede mee! Is het er ja, of is het er nee?
| | |

|
|