| | Lied 401 | | Vers 1: | Isaak, bejaard en blind vraagt zijn zoon, zijn oudste kind: maak, voordat ik sterven ga, nog eens lekker eten klaar. Dan krijg jij de zegen mee als de oudste, als de oudste, dan krijg jij de zegen mee, als de oudste van de twee.
| | Vers 2: | Esau gaat direct op jacht, maar Rebekka fluistert zacht: Jakob, neem je kansen waar... Esaus kleren liggen klaar! Dan krijg jij de zegen mee als de jongste, als de jongste, dan krijg jij de zegen mee als de jongste van de twee.
| | Vers 3: | Jakob gaat in Esaus plaats, Isaak twijfelt tot het laatste: Esaus handen, Jakobs stem, maar ik voel dat jij het bent! Dan krijg jij de zegen mee als de oudste, als de oudste, dan krijg jij de zegen mee als de oudste van de twee.
| | Vers 4: | Kom mijn zoon, de morgendauw van de hemel rust op jou, volken dienen je als heer, mensen buigen voor je neer! Dan krijg jij de zegen mee, als de oudste, als de oudste, dan krijg jij de zegen mee, als de oudste van de twee.
| | Vers 5: | Jakob gaat, 't bedrog komt uit, Esau huilt en schreeuwt heel luid: Zegen mij ook, vader, mij maar de zegen is voorbij! Jakob kreeg de zegen mee, als de jongste van de twee. Jakob kreeg de zegen mee, als de jongste van de twee.
| | |

|
|