| | Lied 405 | | Vers 1: | Ruth, die eens uit Moab kwam, zonder kind en zonder man, wil in Israel gaan wonen, Israels God haar eer betonen. Ik ga mee, zo klinkt haar stem, ik ga mee naar Bethlehem!
| | Vers 2: | Bethlehem wordt nu haar huis maar er is geen brood in huis. Daarom gaat Ruth aren lezen want er moet toch eten wezen. Achter Boaz' maaiers aan zoekt zij het verloren graan.
| | Vers 3: | Boaz wordt verliefd op haar en ze trouwen met elkaar. Dan wordt er een zoon geboren, Ruth, die zoveel had verloren noemt hem Obed, en zij prijst God de Heer, die gunst bewijst.
| | Vers 4: | Ruth, die eens uit Moab kwam, zonder kind of zonder man, treedt aan 't licht, haar zonnen komen later zelfs op Israels tronen. En haar naam wordt nog genoemd wanneer David wordt geroemd!
| | |

| Lied 406 | | Vers 1: | De zoon van Kis uit Benjamin die eens op zoek naar ezels ging, hij word gezalfd door Samuel tot koning, tot koning van 't volk van Israel.
| | Vers 2: | Maar toen het hele volk het wist zat Saul verstopt achter een kist, hij was verlegen en was bang de koning, de koning die sterk was en heel lang.
| | Vers 3: | Saul bouwde aan zijn eigen rijk en hij vergat Gods Koninkrijk. Er komt daarom, zei de profeet, een koning, een koning die nooit meer God vergeet!
| | Vers 4: | Saul was niet blij en vrolijk meer, triest zat hij op zijn troon terneer, en al zong David nog zo fijn, de koning, de koning was boos en vol venijn.
| | Vers 5: | Zo vluchtte david als een hert voor Saul, die als maar bozer werd. De koning zocht door heel het land maar David, maar David was veilig in Gods hand.
| | Vers 6: | Toen Saul de strijd verloren had zong David met gebroken hart: de helden vielen: zo bemind, de koning, de koning en Jonathan, mijn vrind.
| | |

|
|