| | Lied 406 | | Vers 1: | De zoon van Kis uit Benjamin die eens op zoek naar ezels ging, hij word gezalfd door Samuel tot koning, tot koning van 't volk van Israel.
| | Vers 2: | Maar toen het hele volk het wist zat Saul verstopt achter een kist, hij was verlegen en was bang de koning, de koning die sterk was en heel lang.
| | Vers 3: | Saul bouwde aan zijn eigen rijk en hij vergat Gods Koninkrijk. Er komt daarom, zei de profeet, een koning, een koning die nooit meer God vergeet!
| | Vers 4: | Saul was niet blij en vrolijk meer, triest zat hij op zijn troon terneer, en al zong David nog zo fijn, de koning, de koning was boos en vol venijn.
| | Vers 5: | Zo vluchtte david als een hert voor Saul, die als maar bozer werd. De koning zocht door heel het land maar David, maar David was veilig in Gods hand.
| | Vers 6: | Toen Saul de strijd verloren had zong David met gebroken hart: de helden vielen: zo bemind, de koning, de koning en Jonathan, mijn vrind.
| | |

| Lied 407 | | Vers 1: | David, David, speel nog eens voor mij, dan gaat al mijn angst voorbij. Overstem mijn boze dromen, dat ze niet meer kunnen komen. speel op de fluit 't liedje van verlangen. Tokkel op je harp, speel op je fluit 't liedje van verlangen, zing het uit.
| | Vers 2: | David, David, kom in mijn paleis, zing mijn wanhoop van de wijs. Want mijn dagen, David, luister, zijn zo droevig en zo duister. Tokkel op je harp, speel op je fluit 't liedje van verlangen, zing het uit.
| | Vers 3: | David, David, vlucht niet weg voor mij, neem je harp en zing mij blij. Laat je lied van vrede horen van de allerhoogste toren. Tokkel op je harp, speel op je fluit 't liedje van verlangen, zing het uit.
| | |

|
|