| |
Lied 410 |
| Vers 1: | Job, zoals het verhaal vertelt, was een man met heel veel geld. Hij probeerde goed te leven, alle eer aan God te geven. Job die steeds het kwaad ontweek, liet zijn God niet in de steek.
|
| Vers 2: | Op een dag viel alles stuk niets bleef over van 't geluk. Schapen, runderen en zonen, alles werd Job afgenomen. diep in rouw zat Job nu neer maar hij noemde God zijn Heer.
|
| Vers 3: | Arm als Job als hij nu was zat hij daar in zak en as. Het verdriet was niet te keren en er kwamen boze zweren. Zelfs Jobs vrouw zei: Zie je wel, zeg je God nu maar vaarwel!
|
| Vers 4: | Ook Jobs vrienden, stuk voor stuk, delen in zijn ongeluk. En zij komen Job beklagen en zij praten velen dagen. Ieder denkt dat hij wel weet wat het antwoord is op leed.
|
| Vers 5: | Woorden gaan van man tot man ieder zegt er 't zijne van. Maar na al dat redeneren hoort Job naar het woord des Heren. En hij wordt getroost door God dan komt alles goed voor Job.
|
| |

|
Lied 411 |
| Vers 1: | De Heer zal als een herder voor mij zorgen, Hij schiet in liefde niet te kort. De Heer zal als een herder voor mij zorgen, bij Hem ben ik geborgen.
|
| Vers 2: | De Heer zal als een herder mij omgeven, Hij leidt mij op het rechte pad. De Heer zal als een herder mij omgeven, Hij waakt over mijn leven.
|
| Vers 3: | De Heer zal als een herder voor mij strijden, zelfs in de schaduw van de dood. De Heer zal als een herder voor mij strijden, Hij wijkt niet van mijn zijde.
|
| Vers 4: | De heer zal als een herder voor mij zorgen, Het zet Zijn leven voor mij in. De Heer zal als een herder voor mij zorgen, ik ben niet bang voor morgen.
|
| |

|