| | Lied 414 | | Vers 1: | Als Bethlehem gaan plaats meer heeft voor 't kind dat wordt geboren, alleen een grot nog ruimte geeft laat zich de hemel horen: Gloria, gloria, gloria, in excelsis Deo! In excelsis Deo!
| | Vers 2: | als engelen zingen in de nacht: Er is een kind gekomen, dan zien de herders op hun wacht de sterren aan de bomen! Gloria, gloria, gloria, in excelsis Deo! In excelsis Deo!
| | Vers 3: | Als herders durven op te staan, niet lachen maar geloven, en naar het kind zijn toegegaan dan zingt de hemel boven: Gloria, gloria, gloria, in excelsis Deo! In excelsis Deo!
| | Vers 4: | Als de wijzen reizen en de ster de weg weet zonder vragen, dan is de vrede niet meer ver dan komt Gods welbehagen! Gloria, gloria, gloria, in excelsis Deo! In excelsis Deo!
| | |

| Lied 415 | | Vers 1: | In Jeruzalem staat een huis, staat een huis, staat een huis. In Jeruzalem staat een huis, in Jeruzalem staat een huis. Dat huis dat is een heiligdom, en ieder kind weet wel waarom. In Jeruzalem staat een huis, daar heeft de Heer zijn thuis.
| | Vers 2: | In dat huis daar komt een kind, komt een kind, komt een kind. In dat huis daar komt een kind, in dat huis daar komt een kind. De wijze mannen staan versteld omdat het zoveel vragen stelt. In dat huis daar komt een kind dat woord voor woord begint.
| | Vers 3: | Maar dat kind denkt niet aan tijd, niet aan tijd, niet aan tijd. Maar dat kind denkt niet aan tijd, maar dat kind denkt niet aan tijd. Hij is twaalf jaar en zoon der wet, hij moet naar huis, naar Nazareth. Maar dat kind denkt niet aan tijd. Maria is hem kwijt!
| | Vers 4: | In Jeruzalem ben ik thuis, ben ik thuis, ben ik thuis. In Jeruzalem ben ik thuis, in Jeruzalem ben ik thuis. Maria kijkt hem vragend aan: Wat heb je ons toch aangedaan? In Jeruzalem ben ik thuis, hier ben ik kind aan huis!
| | |

|
|