| | Lied 418 | | Vers 1: | Waar lijkt het op, waar lijkt het op, het Koninkrijk van God? Waar lijkt het op, waar lijkt het op, het Koninkrijk van God. Soms lijkt dat Koninkrijk op zaad, op zaad dat in de aarde gaat en uit dat zaad daar groeit een boom, een goddelijke droom.
| | Vers 2: | Waar lijkt het op, waar lijkt het op het Koninkrijk van God? waar lijkt het op, waar lijkt het op het Koninkrijk van God? Het is een heel groot bruiloftsfeest voor wie aan God zijn trouw geweest, zij komen overal vandaan de kinderen gaan vooraan.
| | Vers 3: | Waar lijkt het op, waar lijkt het op het Koninkrijk van God? Waar lijkt het op, waar lijkt het op het Koninkrijk van God? Het is een stad waar vrede woont en waar God in het midden troont, Gods goedheid is er zonneklaar zijn liefde openbaar. Daar lijkt het op, daar lijkt het op het Koninkrijk van God!
| | |

| Lied 419 | | Vers 1: | Luister goed, luister goed, luister goed, weet je wat de zaaier doet? Hij zaait uit met volle handen, werpt het breed uit op de landen. Komt het zaad wel goed terecht? Luister wat de zaaier zegt!
| | Vers 2: | Van het zaad, van het zaad, van het zaad viel een deel gewoon op straat. En de vogels zijn gekomen uit de takken van de bomen en zij pikten alles weg, van dat zaad kwam niets terecht!
| | Vers 3: | Nog een deel, nog een deel, nog een deel kwam wel op, maar 't was niet veel. Want de grond zat vol met stenen teveel aarde was verdwenen, 't groeide, maar 't verdorde snel. want de zon scheen veel te fel!
| | Vers 4: | Zaaien moet, zaaien moet, zaaien moet maar soms valt het zaad niet goed. Er viel zaad tussen de dorens dorens groeien hoog als torens en zo was er op het laatst voor het zaad gewoon geen plaats!
| | Vers 5: | En de rest, en de rest, en de rest, daarmee ging het opperbest. 't Zaad viel in de akkergronden het kwam op, het was een wonder en het groeide uit tot graan. Wie wil horen zal 't verstaan!
| | |

|
|