| | Lied 419 | | Vers 1: | Luister goed, luister goed, luister goed, weet je wat de zaaier doet? Hij zaait uit met volle handen, werpt het breed uit op de landen. Komt het zaad wel goed terecht? Luister wat de zaaier zegt!
| | Vers 2: | Van het zaad, van het zaad, van het zaad viel een deel gewoon op straat. En de vogels zijn gekomen uit de takken van de bomen en zij pikten alles weg, van dat zaad kwam niets terecht!
| | Vers 3: | Nog een deel, nog een deel, nog een deel kwam wel op, maar 't was niet veel. Want de grond zat vol met stenen teveel aarde was verdwenen, 't groeide, maar 't verdorde snel. want de zon scheen veel te fel!
| | Vers 4: | Zaaien moet, zaaien moet, zaaien moet maar soms valt het zaad niet goed. Er viel zaad tussen de dorens dorens groeien hoog als torens en zo was er op het laatst voor het zaad gewoon geen plaats!
| | Vers 5: | En de rest, en de rest, en de rest, daarmee ging het opperbest. 't Zaad viel in de akkergronden het kwam op, het was een wonder en het groeide uit tot graan. Wie wil horen zal 't verstaan!
| | |

| Lied 420 | | Vers 1: | Daar zit een man, hij kan niet zien, hij zit maar aan de kant. Hij roept tot men uit medelij wat geld geeft in zijn hand.
| | Vers 2: | Hij hoort wel stemmen om zich heen maar hij ziet geen gezicht. Hij heeft nog nooit de zon gezien, nog nooit een streepje licht.
| | Vers 3: | Er komt een man die stil blijft staan, hij heeft geen geld, geen goud, maar strijkt zijn ogen in met slijk en dat wordt zijn behoud!
| | Vers 4: | Ik zie het licht, ik zie het licht, mijn leven is gered! En wil je weten wie dat deed? De man van Nazareth!
| | |

|
|