| | Lied 426 | | Vers 1: | Liefde is blij zijn, een arm om je heen. Liefde is lachen, is nooit meer alleen. Liefde is luistren, de woorden gaan door liefde is fluistren, heel zacht in je oor.
| | Vers 2: | Liefde is lopen, mijn hand in jouw hand. Liefde is hopen, is gaan langs het strand. Liefde is amen, is wolken, is wind. Liefde is samen, is spelen als kind.
| | Vers 3: | Liefde is zingen is wit en is groen. Liefde is zacht is een kus in 't plantsoen. Liefde is leven, je ademt weer op. Liefde is geven, is leven met God.
| | |

| Lied 427 | | Vers 1: | Er kraait geen haan, er kraait geen haan als Petrus bij het vuur gaat staan. Er kraait geen haan en Petrus wacht bij 't huis waar Jezus is gebracht.
| | Vers 2: | Jij hoort bij Hem, jij hoort bij Hem, zo roept opeens een vrouwenstem. Jij hoort bij Jezus, waar of niet? Maar Petrus zegt: Ik ken Hem niet!
| | Vers 3: | Te dicht bij 't vuur, te dicht bij 't vuur, waar moet hij schuilen op dit uur? Te dicht bij 't vuur, en weer die vraag: zag ik jou die bij Hem vandaag?
| | Vers 4: | De derde maal, de derde maal, zegt iemand: ik hoor aan je taal dat jij er een van Jezus bent. Maar Petrus vloekt en hij ontkent.
| | Vers 5: | Er kraait een haan, er kraait een haan, en hij is huilend weggegaan. Er kraait een haan en Petrus weet: ik liet mijn meester in de steek.
| | |

|
|