| | Lied 429 | | Vers 1: | Saul van Tarsus gaat op reis, klein van stuk en eigenwijs. Hij tracht mensen op te sporen die bij de beweging horen. Wie een vriend van Jezus is, komt in de gevangenis.
| | Vers 2: | Saul van Tarsus jaagt maar door als een vos volgt hij elk spoor. Wie kan vluchten voor zijn handen zoekt zijn heil in vreemde landen. Saul van Tarsus wordt niet moe hij gaat naar Damascus toe.
| | Vers 3: | Saul van Tarsus is op pad, hij is niet ver van de stad, als een vuur, een licht van boven, al Sauls plannen komen doven. En een stem klinkt van dichtbij: Waarom Saul, vervolg je mij?
| | Vers 4: | Saul van Tarsus is verblind en men leidt hem als een kind. De vervolger is verslagen hulpeloos is hij drie dagen. Totdat Ananias komt; hij maakt Saulus weer gezond.
| | Vers 5: | Saul die dreiging sloeg en moord, wordt gedoopt, van nu aan hoort Saul bij Jezus' volgelingen, omgekeerd zijn alle dingen! Saul, al heeft hij zich vergist, weet voorgoed wie Jezus is!
| | |

| Lied 430 | | Vers 1: | Dromen op een eiland, dat de zee er niet meer is. Dromen op een eiland, geen gevaar meer en geen vis. Geen water, geen verdrinken, geen storm, geen boot kan zinken en zelfs de tranen van verdriet zijn weg, ze zijn er niet.
| | Vers 2: | Dromen op een eiland, Schrijf maar op, zo sprak een stem. Dromen op een eiland van het nieuwe Jeruzalem. Met poorten en briljanten een stad naar alle kanten, naar Oost en West, naar Noord en Zuid, een stad versierd als bruid.
| | Vers 3: | Dromen op een eiland, mensenmaat is engelenmaat. Dromen op een eiland, glanzend goud is daar de straat. Geen tempel om te bidden want God is in haar midden, geen zon, geen maan, geen sterrelicht, God zelf is daar het licht.
| | Vers 4: | Dromen op een eiland, poorten die wijd openstaan. Dromen op een eiland en geen macht zal meer bestaan. Heel dicht bij God te wonen onder de groene bomen, dat droom ik met Johannes mee op Patmos in de zee.
| | |

|
|