| | Lied 430 | | Vers 1: | Dromen op een eiland, dat de zee er niet meer is. Dromen op een eiland, geen gevaar meer en geen vis. Geen water, geen verdrinken, geen storm, geen boot kan zinken en zelfs de tranen van verdriet zijn weg, ze zijn er niet.
| | Vers 2: | Dromen op een eiland, Schrijf maar op, zo sprak een stem. Dromen op een eiland van het nieuwe Jeruzalem. Met poorten en briljanten een stad naar alle kanten, naar Oost en West, naar Noord en Zuid, een stad versierd als bruid.
| | Vers 3: | Dromen op een eiland, mensenmaat is engelenmaat. Dromen op een eiland, glanzend goud is daar de straat. Geen tempel om te bidden want God is in haar midden, geen zon, geen maan, geen sterrelicht, God zelf is daar het licht.
| | Vers 4: | Dromen op een eiland, poorten die wijd openstaan. Dromen op een eiland en geen macht zal meer bestaan. Heel dicht bij God te wonen onder de groene bomen, dat droom ik met Johannes mee op Patmos in de zee.
| | |

|
|