| | Lied 13 | Vers 1: | Hoe zal ik Hem bezingen en loven in mijn lied, die boven alle dingen troont in zijn rijksgebied? Gods Geest wil ons verlichten, de fakkel van het Woord zal klaar ons onderrichten, hoe Hem de lof bekoort.
| Vers 2: | Waarom verliet die Koning zijn troon in heerlijkheid, koos Hij bij ons zijn woning: een mens in dienstbaarheid? De Vader zag bewogen de wereld in haar nood: zijn Zoon kwam uit de hoge tot redding van de dood.
| Vers 3: | "Hem spreidde Sion palmen in geestdrift, gauw gedoofd; nog zingt de kerk haar psalmen en looft haar Heer en Hoofd, gedenkt Hem op zijn paden tot buiten Salems poort, waar 't Lam, met vloek beladen, het lichaam werd doorboord."
| Vers 4: | Mijn hart vol boos begeren getuigt steeds tegen mij, het bloed van onze Here spreekt van het oordeel vrij: Hij deed ons met Zich sterven en uit het graf opstaan en om zijn loon te werven is Hij ons voorgegaan
| Vers 5: | Blijf z¢ uw Heer gedenken, o duurgekochte kerk, dan zal Hij u steeds schenken om moedig, vroom en sterk, ja, vrolijk 't kruis te dragen als Christus' onderdaan en op de dag der dagen zijn troonzaal in te gaan.
| Vers 6: | Want Hij zal eens verschijnen als rechter van 't heelal, die trotsen doet verdwijnen, maar kleinen kronen zal. Nu zingt de kerk haar zangen, de Geest zegt met de bruid: Kom Heer, wij zien verlangend naar uw verschijning uit.
| |

| Lied 14 | Vers 1: | Jezus, leven van mijn leven, Jezus, dood van mijnen dood, die voor mij U hebt gegeven, in de bangste zielenood, opdat 'k weten zou in 't sterven, dat ik 't leven mag be‰rven. Duizend-, duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer.
| Vers 2: | Gij, o Jezus, hebt gedragen lasteringen, spot en hoon, zijt gebonden en geslagen, Gij, des Vaders eigen Zoon, om van schuld en eeuwig lijden mij, verloorne, te bevrijden, Duizend-, duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer.
| Vers 3: | Heer, verzoener van mijn zonden, Heiland, die mij hebt gezocht, die mijn banden hebt ontbonden en voor God mij vrijgekocht, eens onrein in schuld verloren, ben ik door uw Geest herboren. Duizend-, duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer.
| Vers 4: | Dank, mijn Heiland, voor uw lijden, voor uw bittre bange nood, voor uw heilig, biddend strijden, voor uw trouw tot in de dood. Voor de wonden, U geslagen, voor het kruis, door U gedragen, voor al 't heil aan mij geschied, prijst U eeuwiglijk mijn lied.
| |

|
|